09-12-11

UIT DE GESCHIEDENIS VAN WATOU

Uit de Geschiedenis van Watou door L A Rubbrecht verschenen in 1910.

De herbergen zijn van in zeer vroege tijden onder verorderingen geplaatst geweest.

Zij waren ingericht voor het gemak van de reizigers.

Het was verboden aan de ingezetenen, aan de gehuwden en aan deze, die huisgezin bezitten, in de herbergen te gaan drinken of eten en aan de herbergiers, deze te ontvangen, op straffe van boet voor de eertste maal  en van gevangenis voor de tweede maal. Gedurende de hoogmis en de vespers was insgelijks de drankslijting verboden. Ten jare 1560 had een herbergier zich verstout  "volck te houden dryncken ghedurende de hoochmesse" en een andere Engelsch bier te tappen zonder kennis van het magistraat. Beide ontstonden het, voor die overtreding, met eene geldboete ven 20 schillingen. Den 24 April 1761 was Karel de Smidt, voor de wet van Bergen St. Winoc, veroordeeld tot eene boete van 12 lb parisis voor "drank gediend te hebben gedurende den zondagnacht, 12 derzelfde maand, ter groote ontstichting van 't openbaer".

De voornaamste drank in de herbergen gesleten, wat onze streek beterft, was het bier en niet te twijfelen of de herbergiers zijn de eerste fabrikanten van dezen drank geweest.

Den 8 Januari 1780 bevestigde de wet het bestaan van: "10 herbergen alle gestaen ende geleghen langst de groote heirbaenen van oude tyden, behoorlick, soo men presumeert, opgerecht schynen, alle wel geplaceerd ende dienstig, te syn aen publyck, diensvolgens souden connen gecontinueerd worden" 

Den december1693 was een staat opgemaakt van de brouwers en herbergiers. Deze meldt: "brauwers ende weirden t'samen: Lambrecht Wulles, Jan Bekaert, Jacob Soutemont, Guillaumes Leynaert, Norbert Allinck en Bertram Wulles. Sonder datter eenighe brauwers sie alleenelick brauwen sonder herberghe te houden.

Weirden die niet en brauwen: Pieter Coussaert, Jan Roie, Gauthier Straecousse, Jacques Lucas, Jacques Van Stavel en Charles Hannote.

Hier is nog aangegeven dat Jacob Van Stavel, in de Goden Leeuw ter plaatse, somwijlen bij anderen brouwt.

De volgende benamingen van herbergen hebben wij tegengekomen. Op de plaats: De zwaan, Gouden Leeuw, Het Schaeck, St. Jooris en St. Eloy.

St. Jans Capelle: Het Hemelke.

Abeele: De Trompe, In Duysterperycle.

Buiten, Langerbrugghe, Vuyle Seule, Boschmeulen, Cruysstraete, Drie koningen en Boerenhol.

Onder de beroepen, die evenals de openbare ambten door de regeering van Lodewijk XIV erfachtig verkocht werden, bevonden zich de brouwerijen. Om deze verkooping te begunstigen, gaf een edict van Mei 1693 de machtiging, ter uitsluiting van alle anderen, om het bier te maken dat in gasthuizen en herbergen vervent zou worden. Het brouwen was aan een bestuurstoezicht onderworpen met verplichting de bieren te leveren in vaten, tonnen, halve en vierde deelen.

De aankopers van vergunningsakten hadden bewijzen te geven van eerlijkheid, rechtschapenheid, ondervinding en voldoenden ouderdom, van goed gedrag en zeden, verders dat zij toebehoorden aan den catholijken, roomschen en apostolijken godsdienst.

volgens arrest gegeven te Versailles, den 25 Januari 1695, beliep de afkoop van het brouwersrecht binnen de stad en kastelnij van Veurne de som van 38.500 fransche ponden. De afkoop voor de Acht Parochiën was bepaald op 19.470 lb, in welken Watou begrepen was, ten opzichte van drie brouwerijen, voor de som 2.250 lb, dus voor 750 lb. Dit voorrecht werd door het bestuur der Acht Parochiën afgekocht. Voortaan moesten alle verklaringen van brouwerijen en betaling van rechten tr Ieperen gedaan worden.

Voor het bier, buiten de Acht Parochiën gebrouwd, waren inkomrechten te betalen.

Deze verandering gaf aanleiding tot moeilijkheden. Voor het vieren van een feest van St. Sebastiaan, hadden Jan Van Houcke en Jan Beheyt, schepenen van Noorthouck, zonder voorafgaande verklaring te doen, vijf tonnen bier naar Poperinge gaan halen. Dit werd gekend en proces-verbaal volgde op deze overtrding. de hoofdman van St. Sebastiaan, baljuw De Hulster, deed bij brief van 6 Maart 1699, de vraag opdat het proces zou mogen onderblijven. Hij vertoonde:

"Dat dit geschiedt is ter cause datter alhier slecht bier was ende noch 20 pond de tonne wilden vercoopen. Ick meende dat de rechten waeren voor de cabarettiers, sulckx dat dit gebeurd is door pure innocentie, want waert by aldien datter eenigh malitie ofte fraude gheweest hadde in ons regard, wy en hadden t'vooraf bier niet doen lossen in de gildecamer in claeren daeghe ende pubickelyck.

Aan dit verzoek werd geen gevolg gegeven, daarom op den 19 der zelfde maand, schreef De Hulster opnieuw. Na zijne verwondering uitgedrukt te hebben van geene ontvangene antwoord en kennis gegeven te hebben dat Van Houcke en Beheyt opnieuw beschreven waren geweest, herhaalt De Hulster zijn voorgaand schrijven en meldt dat de vijf tonnen gehaald zijn geweest op bevel der gilde, samengesteld uit de officieren en schepenen der parochie, ter oorzaak.

"Dat men alhier niet anders en coste crygen als slechten dranck voor veele geldt, t'schynt wondelyck te wezen dat de officieren ende schepenen deser parochie, die een vierde van de finance moeten contribueren niet en souden moghen dryncken een goede teughe bier, ende dat sy souden wezen onderworpen aen statuytenn ende wetten by hun geconcipieerd ende gheordoneert, midts het notoir is dat eenen wetgever niet suject en is aen de wet die hy gheeft, dan Mynheere, omme costen van proceduren , inconvenienten ende vyandtschappen te eveteren, soo int regard van selven De Haene ende eenen brauwer of twee van alhier, die hiervan door envie den oorspronck ende oorblaesers syn". 

Den 30 Augustus en 23 September 1701 had Jordaan Cruyplant, brouwer, mits verklaring aan den griffier, zich veroorloofd, tweemaal, twee tonnen bier naar Poperinghe te halen. Dit kwam ter kennis van Pieter De Haene, griffier te Woesten, belast met het toezicht op dezen dienst. Proces verbaal werd opgemaakt. De wet van Watou bevestigde de verklaring ontvangen te hebben en vertoonde: "Dat Cruyplant geene occasie en hadde om de advertentie te doen tot Ipre of expres te senden, dat syn ghewin daerin soude gaen".

Deze moeilijkheden hadden voor gevolg de vereenigde wetten te doen beslissen om kennis aan 't bestuur der Acht parochiën te geven, dat zij van meening waren den afkoop te doen van het vergunningsrecht op het brouwen binnen de parochie na het einde der drie jareN.

Volgens opgave van 3 maart 1695, waren het peilen der tonnen en het gebruik der maten van de drankslijting ook in verordening.

Een brief van 29 April 1714 geeft hierover deze meldingen. De tonnen worden door eenen beëdigden ijker van poperinghe geijkt omdat, noch alhier, noch door de Acht parochiën, geen anderen aangesteld is. Volgens de overlevering moeten de tonnen 64 stoopen, Gentsche maat, inhouden. De kosten van ijken belopen 4 lb daags. Van oude tijden bedienden de waarden zich van de Poperingsche maat. De brouwers verkoopen het groot bier 18, 19, 20 lb en het klein bier 3lb12 stuivers de ton. De waarden verventen het groot bier 4 stuivers den stoop. De brandewijn wordt gehaald in de kantine te Poperinghe tegen 44 stuivers den stoop en wordt verkocht door de tappers tegen 4 stuivers het middeken. "tot over acht dagen alswanneer sy het selve gesteld hebben op dry stuyvers en half ende dat ter cause de comisen hun bedreyght hadden ruyse aen te doen omme dat het gewin te groodt was".

De wetten regelden den verkoopprijs van het bier en dezen sterke dranken. Hun besluit van 3 Februari 1773.

"Geinformeerd synde van de augmentatie van vier stuyvers op de genever par stoop, is geresolveert dat  d'herbergiers in het venten denselven genevere desen sullen moghen vercoopen tot dertien oortjens het baexken met verbodt denselven tot meerderen prys te venten".

Andere tusschenkomsten zijn aan te halen. Wij vergenoegen ons met de laatste van 15 Januari 1788 over te nemen. "Op het vertogh aen ons gedaen door de herbergiers deser parochie van de dierte der graenen, hout ende oppe ende alles geconsidereert, hebben wy geresolveert het bier te dieren tot den maent octobre; te weten: tot seven orens de canne ende tot veertien orens de stoop".

De maten en gewichten voor eene zelfde landstreek, aangaande den inhoud, waren niet gelijk. In menige steden en gemeenten waren deze verschillend. Bij brief van 31 December 1780 werd gemeld dat: "De gebruikte maten in de herbergen syn de gonne van Steenvoorde, zynde een backxken grooter op den stoop als deze van Ghendt. De mate in Watou is differenderende jeghens de gonne Poperinghe soo veele die is differenderende jeghens de gonne van Ghendt.".

Onder het Oostenrijksch beheer werd de sluiting der herbergen bepaald. Ingevolge plakkaat van  October 1783 was het: "Niet geoorloft gedurende de zes wintermaenden beginnende met Octobre in de vrije herbergen te verblyven tot acht uur des avonds, ende gedurende de zes zomermaenden, te beginnen met April, tot negen uren des avonds, op peine van t'elken reys te incurrenen eene boete van ses ponden parisis, ende den herbergier ter oorzake van de persoonen in zyn huys gehouden te hebben, het dobbel".

De avondklok verwittigde den slijter van 't gekomen uur. eene vergoeding voor dezen dienst toegestaan: Betaelt aen Victor-Leonardus Tanghe, coster deser parochie, de somme van 24 ponden over een jaer besorgt te hebben het kloksken dienende voor nachtlicht".

Met het aankomen van het nieuw regiem maakte de regeltucht der herbergen deel van de algemeene verordeningen op de politie in het hoofstuk hiertoe betrekkelijk aangehaald.

Den 28 Maart 1906 werden algemeene schikkingen aangenomen aangaande eene verplichtende groote voor de nieuwe herbergen.

Den 3 maart 1908, werden de dansspelen in de openbare plaatsen geregeld.

Tegenwoordig bestaan er 6 brouwerijen en 121 herbergen.

 

 

 

 

 

 

15:47 Gepost door MICHEL RUSSE in UIT DE GESCHIEDENIS VAN WATOU | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.